de leden van de orde der fossielen keken wat besmuikt ze hadden zo hun best gedaan gegoochel met de reglementen wat kleine rek hier en daar een belofte vals of niet misschien maar gedragen door gebed kwam in no time de juiste man bovendrijven net aan 7 kruisjes achter zijn naam die kon nog jaren mee aldus de fossielen waarvan de meesten 9 kruisjes torsen
in Rome ben je rooms dat geldt ook voor god want na de eerste schrik en een goed uitgevoerde operatie verscheen op het balkon van het Vaticaan gezond en zegenend ecce homo, ecce paus Leo
Ergens hebben wij elkaar geraakt en weer teruggegeven aan onszelf Hoe kan ik verklaren dat ik je verlies aan iets wat we niet waren de liefde ouder lijkt dan onze levens
En als je naast me zit is er altijd die seconde waarin alles zich opnieuw aandient dat ik je mis op een manier waarvoor geen afwezigheid bestaat Is dat wat liefde doet
dank aan de dichters die inzonden – heel veel dank – maatschappij kritische gedichten, passievolle, wijze, zachtromantische – alles was te lezen – onder de gedichten de commentaren – kom ik toch niet om twee gedichten heen – voor wat betreft het eremetaal – goud voor Cartouche – met een rawie- waardig gedicht en zilver voor Vera van der Horst – en niet alleen voor die eerste prachtige diamanten regel van haar gedicht – ‘We zitten hier gevangen in elkaars gezicht..’ lees het commentaar.
Als vogels
de kunst van het zwijgen werd mij voorgekauwd altijd weer dingen niet te zingen zijn – woorden vluchtig en duur, die dienden enkel doel te hebben
zo werd me voorgehouden en -geleefd, ik was geen zoon van een preacher man – had echter wel leren luisteren naar het geluid van golven , een beachboy jongen die begrepen had dat zij het enige waren dat je had
hebt om een hart op te halen of te stelen – al wat wij deden – niet meer vermogen te doen – al de keren dat wij het hoofd op schouders mijn schat en lieve woordjes in het oor
bliezen, bleken ze toch geen eeuwig leven, geen verweer tegen het knagen en bijten van de tijd – zie mij nu hier me het hoofd te breken wie gelijk te geven als beide wegen alleen lijken te leiden tot uiteenlopende lijnen
hoe onmachtig krachtig ze reiken naar elkaar ook weer vandaag – allerzielen – er is niets, er zijn geen woorden, klein of groot om het verloop van een leven te omvatten, je kunt er de hand niet opleggen
– als vogels samenkomen op een draad – zelfs niet in een gedicht –
02-11-2026 / Cartouche
ja een rawie waardig gedicht van onze cartouche – die hele lichte zwaarte die hij in zijn woorden weet te leggen – je voelt als het ware de pijn door de woorden kruipen – zonder ten onder te gaan in groot sentiment. een beschrijving van een leven in nauwelijks 6 strofen – ga er maar aan staan. het leven is vallen en opstaan tot je blijft liggen – ik denk dat de woorden van de onlangs overleden maarten spanjer hier ook bij passen – Cartouche voelt precies aan wanneer het gevraagde thema geaard is in een zachte net niet bittere romantiek. je voelt de ingehouden hoe zeg je het – je voelt de terughoudendheid.
Zeer chronisch
We zitten hier gevangen in elkaars gezicht ik bijt mijn tong weer stuk op jouw chronisch gelijk je woorden marcheren maar ze zeggen niets ze dekken alles toe: het stille zeer dat jij geen naam wil geven
je praat in een taal die haar tanden heeft verloren het zegt me niets en ik wil je juist horen —
niet kijken in de gapende afgrond van ons gemis
Laten we zwijgen en zien wat overblijft.
Vera van der Horst
kom ik toch weer niet om haar heen hoor – wie met zoveel zeggingskracht het zwijgen weet te accentueren verdient vandaag in ieder geval zilver – eigenlijk is die eerste regel al een diamant.
‘We zitten hier gevangen in elkaars gezicht…’
voor wie zo kan schrijven maak ik een knieval. sta ik snel op want ik wil uit haar mond de volgende regels voorgelezen krijgen.
Jorge Bolle – En dan te bedenken dat we allemaal stukgaan
Rob Mientjes – willens en wetens verzwegen
Frans Terken – vragen die je over eerder nog hebt
Rik van Boeckel – van de droom zonder zin en woord
Magda Haan – heel soms valt ieder woord als sneeuw
Luk Paard -ongesproke woorde die we zijn
Cartouche -geen verweer, mijn lief, tegen het bijten van de tijd
Ane Labrie -we hebben nooit een woord gewisseld
Vera van der Horst – Laten we zwijgen
wie wint de enige echte virtuele – en wat kunnen we nu nooit meer zeggen – zondagochtendtrofee op pomgedichten? (vrij naar de prachtregels van RAWIE)
in het gedicht Insomnia vinden aan het einde die regels van RAWIE: “Ik denk aan alle dingen die we zeiden, want al die dingen zeggen we niet meer.” dichters weten er wel raad mee – met het zeggen en het niet zeggen – met het onzegbare ook – we gaan het lezen – het onzegbare wordt hier gezegd dit weekend – in de enige echte virtuele zondagochtendwedstrijd. u kent de regels: gedichten niet te lang svp tenzij noodzaak – 20 regels is genoeg – insturen voor zondag 10 uur 30. stuur in op het u bekende gmail.com adres van pomgedichten@ – of benut de blauwe contact functie boven aan pagina. of laat onder dit item een reactie achter -ik zorg er voor dat uw gedicht in het item wordt geplaatst. commentaar als altijd verzekerd.
nee – je zou zeggen
het was een dag als alle andere er lagen dingen op de grond het was warm de deuren open
je hoorde stemmen een poes sloop door de tuin op weg naar wat zich voor zou doen
donkere wolken in de verte een hoge vrouwenstem en duidelijk gerinkel
je zou zeggen het hoort erbij een soort vrolijkheid dat buiten zichzelf mag zijn en eenmaal binnen snel verstomt
en toch nee een dag als alle andere was het niet
pom wolff
Taalvervuiling
Ik voel me wat minnetjes, want alles kost zo duur. Het is allemaal nauwelijks te managen. Het leven is sowieso onbetaalbaar. En dan te bedenken dat we allemaal stukgaan bij de grappen van de van Gijpjes en andere gajesgraaiers. Ik zal ze eens optelefoneren en nachecken of alles wat ik hier schrijf de halve waarheid is of eigenlijk, zeg maar, een groot zwart gat.
Jorge, 31oktober
ja de bekende voetbalhumor van de heren en inderdaad die vdgijp spant de kroon-lul. zet meneer een plestik lul op zijn hoofd en meneer lacht. wel moet gezegd dat het knap is dat je met zo weinig verstand nog zoveel geld bij elkaar kunt harken. laten we het houden op – het is een andere wereld en in die wereld woont jorge bolle niet. dat is duidelijk.
Nein, nein, nein
Zoveel niet gezegd ongehoord gezien willens en wetens verzwegen de leugentjes om bestwil
nein, nein, nein ich habe es nicht gewusst zonder blote billen verdammt nochmal
very irritating papa fume une pipe et mama fume papa in alle talen
met hoge nood om uiteindelijk weer te stranden in eindeloze discussie
over en uit jouw piet of mijn piet in de etalage of in de ban arme witte man
Rob Mientjes
ook rob grijpt het thema aan om een maatschappelijk thema van een poëtisch elan te voorzien. op een zekere leeftijd – bijvoorbeeld die van mij – geloof je de bepaalde dingen van het leven wel – of er nu zwarte pieten in de bijenkorf omhoog klimmen of niet meer – het is zoals het is – De leus “Zwarte Piet is racisme” werd in 2011 gelanceerd door kunstenaar en activist Quinsy Gario – ik heb nog met hem en tegen hem geslamd – 4 woorden van Quinsy met een enorme zeggingskracht. daar heb je een dichter voor nodig – Quinsy deed het.
Goedemorgen Pom, Wat we vroeger zeiden, krijgen we dat nog uit de mond vandaag? Laat het maar aan dichters, wat er al of niet van komt. Goed weekend weer! Groet, Frans
Zeg maar niets
Niet wat voor in de mond maar het achterste van de tong dat alles van vroeger bewaart
het vraagt om een diepzinnig gesprek om weer tot elkaar te komen met wie je na tijden terugziet
die je eerlijk in de ogen wil kijken om te zeggen wat je op je hart hebt maar slikt de woorden schoorvoetend in
om wat er verscholen ligt die je met al je gedachten niet boven haalt vragen die je over eerder nog hebt
alsof er toch een grens getrokken drempel waar je lastig overheen stapt de lippen van het verleden op slot
Frans brengt de aarzeling goed in beeld. of inderdaad alles altijd maar gezegd moet worden. soms reinigt het vertroebeling soms is het beter om het verleden aan het verleden te laten –een gedicht gedrenkt in de wijsheidsdrank der jaren.
De onzegbare droom
Nu de nacht in gaat zeggen we tegen elkaar hou je mond tijdens het dromen maar tot we wakker alles willen vergeten om zo niks meer van slapen te weten
de onzegbare droom zullen we laten door er niet over te willen praten omdat de nachtmerrie onze angst bewijst en naar langzame stille lippen wijst
zelfs als dat de ochtend vertraagt omdat de ander om het verhaal vraagt dat nooit meer zal worden verteld het wordt inmiddels stil voorspeld
wat de nacht teweeg bracht zodat er niet gesproken wordt is de duidelijk zwijgende kracht van de droom zonder zin en woord.
Rik van Boeckel 31 oktober 2026
dit lijkt me typisch een tekst voor een met passie en zeggingskracht gebrachte muzikale compositie van Rik – uiteraard ritmisch verantwoord.
als sneeuw
soms lijkt het alsof woorden hun adem verliezen door het rumoer van de wereld of langzaam verbleken onder een hemel die steeds warmer wordt dan krijgen zinnen korte lontjes worden nieuwe woorden gesmeed of nestelen zich voorgoed in onze mond en als een oud woord plots langs mij heen strijkt denk ik: wauw—
maar soms heel soms valt ieder woord als sneeuw en wordt het doodstil
Magda Haan
een toch wel mooie overdenking der dingen – in de regels van Magda verdwijnt het rumoer van de wereld regel voor regel in een sneeuw van stilte. dichter heeft er nauwelijks 15 regels voor nodig om de lezer tot stilte en bedaren te brengen.
de rockdichter): tijd vliegt echt heel snel….zondag ter pom dus nu en meteen goed en wel…de wedstrijd die geen…maar wel’n thema…’et ongezegde of zo…wat kan gezegd wat kan nooit meer…laat me spreke en ik zeg’et met muziek in me hoofd muziek die liefde is altijd van liefde is en intens zodat geen woord hoeft gezegd of niks nog uitgesproke moet…de muziek speelt door me heen…zolang’et liefde is is me alles zo heel mooi en voel ik’et bloed in me strome zoas’n dans
“muziek op ongesproke woorden”
(met oogjes toe)
ik wandel paadjes met rondfladerende vlinders in gele strepe wolke door zon
en spreid me hande de vlinders rake me aan ik zie….
de liefde van/uit me drome ze kleedt mij hangt om mij ze streelt
we verstrengele vingers zacht aan elkaar gaan zinge late kusse op onze lippe dartele aan elkaar
we voele’n vertelsel ’n sprookje
zo klinkt de muziek op ongesproke woorde die we zijn
bij Luk Paard is het elke zondag feest – elk thema eindigt gewoon in heerlijke en damesrijke vrijpartijen – de lichaamstaal die Luk onder de knie heeft – heeft hij ook boven de knie. en elke keer brengt het lezen van een LUK gedicht mij een brede glimlach op het gezicht. vergeet de paracetamol lees luk!
zoals zij altijd op afstand stiekem naar mij kijkt druk in gesprek met anderen op weer zo’n saaie reünie
we hebben nooit een woord gewisseld
eigenlijk moet ik je toch eens vragen nu ik je weer elke maandag zie of je het met haar vaak over ons
misschien maar beter ook om dit onderwerp te mijden
anke labrie (2026)
ook anke komt tot de conclusie om de woorden soms maar te laten waar ze zorgvuldig opgeslagen liggen – om ze binnen te houden. blijkbaar gebiedt de wijsheid der jaren soms het zwijgen of het verzwijgen. dat het toch maar weer eens gedacht is – en beschreven – lucht ook op.
Door vijanden omringd, Door vrienden in den nood Geschuwd als aas dat stinkt, Houd ik mij lachend groot, Al is mijn ziel verminkt, Mijn lijf voor driekwart dood.
In ’t leven was geen dag Ooit zonder tegenspoed. Ik leed kwaad en deed goed; Dat is een hard gelag. Nu, in verloren slag, Strijd ik met starren moed.
Bedekt met sneeuw en ijs, Getooid door menig lijk Van wie de dwaze reis Deed naar mijn innerlijk, Eens vroeg licht als Parijs, Nu ’t poolgebied gelijk.
Ik laat geen gaven na, Verniel wat ik volbracht; Ik vraag om geen gena, Vloek voor- en nageslacht; Zij liggen waar ik sta, Lachend den dood verwacht.
Ik deins niet voor de grens, Nam afscheid van geen mensch, Toch heb ik nog een wensch, Dat men mij na zal geven: ‘Het goede deed hij slecht, Beleed het kwaad oprecht, Hij stierf in het gevecht, Hij leidde recht en slecht Een onverdraagzaam leven.’
J.J. Slauerhoff —————————– Slauerhoff is een van mijn eerste jeugdliefdes onder de schrijvers. Lucebert, Paul van Ostayen en Henriëtte Roland Holst – van der Schalk horen daar ook bij. De verbetenheid van dit gedicht kon mij als droogstaande puber zeker bekoren. Nu ik al veel ouder ben dan ‘Slau’ kon worden, bezie ik mijn leven aanzienlijk milder dan hij deed. Toch denk ik regelmatig aan de strofe: “Getooid door menig lijk/ Van wie de dwaze reis/ Deed naar mijn innerlijk.” Dat denk ik vooral als er weer eens een einde is gekomen aan een liefdesrelatie. Zijn niet alle liefdes dwaze reizen?
Het was een bewogen zaterdagavond geweest. Vermoeid lag ik onderin mijn stapelbed. Boven leek me niet verstandig. De jaren zorgen er voor, dat ik meestal minimaal één keer per nacht mag gaan afwateren. Zeker na veel bier. En ik had geen zin om uit een stapelbed vallen en mijn nek te breken. Een paar meter verderop hoorde ik hardop lachen.
Eerder die dag waren we aangekomen. Ik was op stap met een jonge vrouw, omdat dat zo uitkwam. Op mijn leeftijd kan dat. We zouden allerlei feestelijke festiviteiten aflopen en daarna in een betaalbaar hostel ons intrek nemen voor de nacht. Er was geen sprake van romantische intenties. We hadden afgesproken dat zij in het grote bed zou slapen en ik in het stapelbed. Alvorens de stad in te gaan schikten we ons op. Ik smeerde rijkelijk schmink op mijn gezicht en zij trok een doorschijnende jurk aan met ondergoed eronder.
Tot mijn opluchting trok ze een lange jas aan over haar weinig verhullende kledij. Dat zou in ieder geval op straat leiden tot een stuk minder gedoe. We verlieten ons hostel en liepen richting de stad. Ik had mijn capuchon opgedaan, zodat slechts de oplettende voorbijganger mijn witgekalkte gezicht zou zien. Ze moest telkens lachen als mensen mij toch opmerkten. Het is grappig hoe mensen soms niet weten hoe ze om moeten gaan met wat ze waarnemen.
Aangekomen op de feestlocatie konden de jassen weer uit. Met mijn witte gezicht had ik meteen de aandacht te pakken van iedereen. Zij ook met haar doorschijnende jurk. Vrouwen keken vol jaloezie. Mannen keken ook. Mijn reisgenote bleek een sociaal begaafd wezen, dat binnen tien minuten een hele schare manvolk aan zich wist te binden. Ik liet het en wijdde me aan andere bezigheden. Half de avond was ze met zes man vertrokken. Ik stuurde haar nog een berichtje voorzichtig te zijn. Het was een wat ongelijke verhouding, naar mijn toescheen.
Op een gegeven moment keerde ze terug. De kroeg was bijna leeg. Samen met een vriend dronk ik nog wat. Bij binnenkomst werd ze meteen weer omsingeld door de overgebleven aasgieren. We hielden het van een afstandje in de gaten. Waar in het begin van de avond de mannen nog een zeker decorum aan de dag hadden gelegd, was daar nu weinig meer van over. Het proberen ‘op de bek te pakken’, suggestieve praat en natuurlijk betasten. Op een gegeven moment stond ze naast een man, die zijn arm om haar nek deed, als ware het een wurggreep. Typisch haantjesgedrag. Hij bleef haar ook maar drankjes geven.
Toen de gorilla op een gegeven moment op toilet was, nam ik haar even apart en adviseerde haar, dat we beter zouden vertrekken. Ze wilde nog even blijven. Nog heel even. Mijn verstand won het van mijn drankzucht en ik maande haar dat we echt beter zouden vertrekken, voordat alles lelijk zou lopen. Ze keek me wat onbegrijpend aan. Toch moet er iets in mijn ogen zijn geweest, dat de doorslag gaf. Ik hielp haar in haar jas. De alfa man was weer terug en riep dat er nog een whiskey voor haar stond. Ik liep naar de bar, pakte het glas en sloeg het in één teug achterover en bedankte.
We liepen, zonder verder nog wat te zeggen, naar buiten. De nacht in. De weg naar het hostel was bezaaid met losliggende stenen en wortels van bomen, die spontaan leken opgeschoten te zijn uit het trottoir. Maar we haalden het. Terug op de kamer poetste ik mijn tanden en ging in bed liggen. Vanuit de badkamer hoorde ik geluiden, die duidden op een zich herhaaldelijk louterende maag. Even later hoorde ik haar naar bed schuifelen. Ze moest lachen. ‘Hé, één van die gasten heeft nog een berichtje gestuurd. Of ik een foto van m’n tieten wil opsturen als ik op hotel zou aankomen. Ik ga hem nu blokkeren.’ Nu moest ik ook lachen. Mannen zijn triest volk. Tevreden draaide ik me om en ging slapen.
VON SOLO DICHTER, COLUMNIST, PERFORMER EN CINEAST Check de actualiteiten van VON SOLO op www.vonsolo.nl Lees ook de wekelijkse column van VON SOLO op www.POMgedichten.nl
dat zit op zaterdagen hoog te paard haar vader zadelt haar moeder tuigt en zij wordt opgeheven
dan heft ze haar gering gewicht
glanzend is het paardenhoofd en imposant het buigt zich even naar het kind dat trots haar lichaam recht de leidsels vat en simpelweg dat grote dier in haar beweging zet de telgang contrapuntisch volgt en ’t zo met laarsjes, hand en billetjes haar wil oplegt