
Spijt
De grijze geleerde
feilloos citeerde
Achter heggen echter
treiterend kussen en hijgen.
Dit epigram van Lucebert uit 1959 was in mijn jeugd een van mijn favoriete gedichten. Ik, die voor ‘verstrooide professor’ uitgescholden werd, wilde het liefst ook achter die heg, vermoed ik.
Een meer omstreden gedicht van de inmiddels ook omstreden dichter waar ik fan van was en ben, kan nu niet meer – vanwege het N-woord. Maar het is juist cruciaal in wat ik wil zeggen. Dit gedicht dus:
Er is een grote norse neger
Er is een grote norse neger in mij neergedaald
die van binnen dingen doet die niemand ziet
ook ik niet want donker is het daar en zwart
maar ik weet zeker hij bestudeert er
aard en structuur van heel mijn blanke almacht
hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
teveel slaven trok ik af van de belasting.
Lucebert stond te boek als antikoloniaal en steunde de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika. Pas na zijn dood, in 1999, kwam uit dat hij zijn leven lang één ding verzweeg: zijn tijdelijke enthousiasme voor de nazi’s, als jongvolwassene aan het begin van de oorlog.
Waar Leo Vroman een oneindige bron van poëzie ontleende aan zijn gruwelijke oorlogservaringen als slachtoffer, was bij Lucebert het verzwijgen van een zwarte bladzijde een mogelijke verklaring van zijn schrijfdrift. ‘Spijt’ is in beide gedichten een thema. Daarnaast duiken overal in zijn gedichten geheimen op, verzwegen kwesties, zonder openlijke verwijzing – want GEHEIM! – naar zijn eigen geschiedenis.
Een heel leven lang wist Lucebert dat niet alleen hijzelf, maar ook sommige vrienden, zijn omgeving, betrokken waren bij dit zwijgcomplot. Dat de bom pas na zijn dood barstte, is verbazingwekkend. Nu de bom gebarsten is, is veel van zijn poëzie wel leesbaarder geworden, omdat we vermoeden waar hij voortdurend omheen draaide en van weg wilde blijven – denk ik.
Bart Top










