Pakjesavond
Dan denk ik aan ’t konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo’n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als ‘k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat ’t weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik ’t zou krijgen. Thuis heb ‘k niet gepraat
Over ’t konijntje, maar ‘k wou niet meer hopen,
Omdat ‘k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou ‘k me zo’n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
J.A. Dèr Mouw
Na de begrafenis.
En na de begrafenis ga je eten kopen bij de Lidl, omdat een mens nou eenmaal moet eten om te kunnen leven. En leven wil ik. Als ik aan leven denk, nadat we jou zo dood en zo alleen achtergelaten hebben op dat grote kerkhof,dan komen de tranen weer. Maar de Lidl is vreemd, anders, huiveringwekkend koud en als ik al die spullen zie, wil ik in de vrieskist bij de spruitjes liggen en even alleen maar heel erg stil zijn.
Raadselachtig wat je met al dat eten moet, de blikken in gelid uitgestald, de groentes kleurrijk vragend om mee te mogen in je mandje om er iets lekkers van te maken. Maar ik wil niks lekkers vandaag. Ik wil de droefheid vergeten, weg eten, tot het kale bot te voorschijn komt, van een groot gemis. De wijn begrijp ik vandaag nog wel en een borrelnootje misschien. Een mens moet vieren dat ie leeft en waarom doet iedereen dat toch zo graag met borrelnootjes, stukjes kaas en wijn?
De laatste keer dat ik je sprak, waren we op zoek naar de wijn en een hapje voor erbij, de verzameling dichters en anderen hadden de schalen al leeggevreten, er waren nog wat borrelnootjes. Die slecht voor jouw hart en slecht voor mij, maar toch, bij het droeve klinken van onze glazen, kraakten de nootjes tussen onze tanden. Droef om wat we achterlieten, van onszelf in ziekenhuizen. Droef omdat onze ooit jeugdige Stürm und Drang om de poëzie te leven niet meer mogelijk was.
Jij hebt een talent voor leven, zei je. Ik niet, ik kan het niet en ik weet dat ik het ook niet meer kan leren. Ik probeerde je nog te vertellen hoe groot je talent voor schrijven en ontroeren is, maar ook daar was je somber over, je zag noch het nut, noch de schoonheid van je eigen werk. Een hopeloosheid die niet meer te verhelpen bleek en een aanval deed op je lijf.
Ik zag en hoorde gisteren hoeveel er van je gehouden wordt, om wat je als mens was en omdat je vanuit wie je was, die prachtige precieze verzen schreef, die je letter voor letter uit je vingers wrong, nacht na nacht.
Het verheugen op een weerzien is nu voorgoed voorbij. De wereld is kleiner, nu jij kleine integere, liefdevolle en geweldige dichter er niet meer bent.
Je hart, je hart, je hart. Zwart.
- Lisan Lauvenberg
9 februari 2018
Omdat je er zo om moest lachen, en je een aantal dichters herkende dit gedicht.
Wat ik nog had willen zeggen
Nee,
Bij een dichter kun je niet wonen,
hij verzint
van baksteen een huis,
zonder verwarming en de wijn
komt uit jouw achterzak.
Verwacht van mij geen verbeelding.
De waarheid is vals.
Mijn geweten is zuiver
ik luister
met mijn hart.
September 2010
In de Doffer.