mijn stoel mijn lieve stoel ik ga je bezitten en in je worden gedichten geboren

uit de vorige eeuw en toch rechtop

daar sta je nou mijn stoel
ik moet nog even aan je wennen aan je geur en aan je zitten
was het Merik niet die over een stoel van waarde schreef
aan de witte wijn met buurvrouw tiele

ik zal het je maar meteen zeggen ik drink gewürz
altijd weer gewürz heel veel gewürz en als ik dronken ben grandmarnier
om mezelf te blussen – dan weet je dat alvast
en ja het was merik die over een stoel van waarde schreef

mijn stoel, ja jij, ik ga je bezitten en in je
worden gedichten geboren
als kindjes mooie en lieve, witte en zwarte

dit eerste kindje is van ons
omdat je zo lang op mij wachtte
en met mij samen oud wil worden

pom wolff


Voor buurvrouw Tiele

Heeft u een alles-moet-kunnen doekje,
zes geraniums, tien liter aarde,
lapt u ook dat vergeten hoekje
en die oude stoel van waarde ?
 
Zes geraniums, tien liter aarde
en alstublieft munt en rozemarijn,
en lapt u die oude stoel van waarde,
Wilt u een glas droge witte wijn ?
 
Alstublieft wat munt en rozemarijn,
ik heb voor u nog oude kranten,
Wilt u een glas droge witte wijn,
heeft u rode wollen wanten?
 
Ik heb voor u nog oude kranten,
heeft u dat alles-moet-kunnen doekje
en tegen de kou rode wanten
en apropos  lapt u dat ene hoekje ?

Merik van der Torren
 

Share This:

Peter Posthumus: ‘Na vanavond zal nooit meer iets te veel zijn nooit meer iets genoeg…’



Vanavond zal ik schrijven
zoals nog nooit geschreven werd
vanavond spatten de woorden
in de regels
uit iedere ademtocht
ontstaat een lied
uit iedere zucht
een mateloos verlangen
uit iedere gedachte een gedicht


Vanavond schrijf ik de brokken
uit m’n keel
de zwarte gaten uit m’n geheugen
woorden zullen neerhagelen
uit de volle ongebroken zinnen
vrijgevochten woorden 
zullen zich storten
op de losse einden in ieder verhaal


Na vanavond zal nooit meer iets
te veel zijn
nooit meer iets genoeg
nooit meer iets slecht
nooit meer iets goed
na vanavond is alles mogelijk
en is er niets meer dat moetl


peter posthumus

Share This:

VON SOLO naar de kapper!

POMgedichten presenteert de donderdag column:
VON SOLO, FEAR AND LOATHING IN POWEZIE LAND!!!
Openhartige openbaringen van de Jeff Koons van de vaderlandse powezie.

Mijn vader was op zijn vijfentwintigste van kruin tot voorhoofd kaal. In mijn jeugd was één van mijn grootste angsten dat ik net zo snel, of nog sneller net zo kaal zou worden. Mijn leven zou voorbij zijn. Nooit nog zou ik aan een vriendinnetje kunnen komen. Ingegeven door die angst liet ik mijn haar dan maar zo lang mogelijk groeien. Maar hoe lang kun je daar mee door gaan…

Deel 100. Haarfijn

In mijn kinderjaren gaf ik niet veel om mijn haar. Wel vond ik het vervelend om naar de kapper te gaan. Koude scharen, klamme stoelen, norse Zeeuwse kapsters en stilzitten. Later knipte mijn vader het ook wel eens. Dat scheelde weer een paar daalders op onze toch niet al te breed hangende begroting toentertijd. Op de middelbare school wilde ik ook wel een vriendinnetje, dus dan ga je over je haar nadenken. Je ouders denken dan ook mee, hetgeen in opzet nog wel eens wil conflicteren met je eigen denkbeelden of experimentele wensen. Kappers denken ook mee, en wat me in die jaren duidelijk werd was, dat wat je ook vroeg, ze er altijd wel voor wisten te zorgen dat er iets anders als resultaat uit kwam. Rond mijn vijftiende kwam ik tot de conclusie dat het allemaal geen zin had. Beter zou ik mijn haar dan maar laten groeien. Dit resulteerde er in dat ik rond mijn achttiende een weelderige bos lang haar aan mijn hoofd had zwaaien. Vergelijkingen met zowel Jezus als Eddy Vedder vlogen me om de oren. En langzamerhand had ik ook wel eens een vriendinnetje. In zoverre was voor mij nu wel bewezen dat het zin had je haar te dragen zoals het je fijn zit.

Jaren heb ik dat lange haar gehad. Dat leverde me met mijn tengere bouw veel biertjes op in de disco als jongens me weer eens voor een vrouw aan zagen van achteren. Verder leer je er mee leven. Lang haar is fijn. Ik ben er gek op. Maar ook ik werd ouder. Op een gegeven moment was ik klaar met school. Bij het uitzendbureau werd het advies herhaald dat me eerder door mijn ouders gegeven was. ‘Knip dat haar er af, anders vind je nooit een baan.’ Daar ik ook net gebroken was met mijn toenmalige vriendin leek het me het perfecte moment om dan ook maar weer eens wat nieuws met mijn haar te proberen. Dat haar ging er af, en ik had meteen een baan. Maar het voelde toch wat kaal. En langzamerhand trok ook mijn haargrens zich terug en begon de ooit zo volle bos bij de kruin te dunnen. Intussen was ik al vijfentwintig geweest en had intussen weer een vriendin, dus het belang van mijn haargrens verschoof ook naar een lagere prioriteit. Door de jaren heen probeerde ik vele stijlen. Kaal aan de zijkant, asymmetrisch, helemaal kaal, halflangig en ga zo maar door. Telkens weer iets proberen dat het weer niet wordt. Het leek mijn jeugd wel. Daarbij kwam het nadeel dat ik intussen een kruin begon te krijgen als een monnik. Dat beperkt de mogelijkheden om mee te gaan in alle nieuw hipstertrends. Mijn vaste kapster op de Kleiweg was intussen wel aan mijn grillen gewend geraakt en in staat om dat wat ik voorspiegelde ook één op één uit te voeren. Maar ook zij was van mening dat er eigenlijk geen model meer in te knippen was. En ik had alles al gehad. Ik concludeerde daarop dat er eigenlijk nog maar één combi oplossing mogelijk was. Doorgaan met kaal worden en doorgaan met het laten groeien van mijn haar. Mijn kapster grijnsde alsof ze mijn plan begreep en stemde in met het bijpunten van mijn vogelenest. Op de vraag of implantaten ook nog iets voor mij zouden zijn knikte ze nee. Voor mij genoeg reden om daar vanaf te zien. Want ondanks het feit dat mijn haar onder de juiste omstandigheden nog wel eens aardig wil krullen, zoveel als mijn secundaire lichaamsbeharing krult het niet.

Intussen heb ik op mijn schedel weer een aardige bos met haar, ondanks de dunne en kale plekken. Het voelt lekker. En je kunt er mee schudden, wat ook fijn voelt. Het ziet er, al zeg ik het zelf, nog helemaal zo slecht niet uit. En of het nou bij mezelf is of bij anderen. Een lekkere bos haar is aantrekkelijk. Ook bij een vrouw. Het idee je geliefde tijdens het vrijen stevig door haar dos te woelen is onweerstaanbaar. Haar is fijn. Ik ben er gek op. Of het nou op mijn hoofd is of ergens anders. Geen Brazilian waxes voor mij dus. En laatst zag ik ergens op een universiteitsterrein een professor lopen het een kapsel dat het mijne over dertig jaar zou kunnen zijn. Lang grijs krullend haar, kaal van kruin tot voorhoofd. Ik pas er voor. Zoals ik vroeger zei, de tondueze kan er altijd nog overheen. Maar dat is voor degenen zonder inspiratie en persoonlijkheid. Haren zijn stiekem eigenlijk onze kosmische antennes van de Goden. We staan er mee in contact met hogere machten en andere dimensies. Dichters hebben dan ook zelden een kaalgeschoren hoofd. Soldaten, skinheads, moderne managers en moslimextremisten dan weer wel. Trekt u zelf uw conclusies.

Ten slotte moet iedereen natuurlijk voor zichzelf maar weten wat hij mijn zijn haar doet. Denkt u echter ook gerust nog eens aan het elan dat de met haar bekrulde Diederik Samsom ooit uitstraalde en de schim die hij nog nog is van zichzelf met zijn slicke kop. Of Jack van Gelder of Sinead O’Connor.
Of zoals mijn kapster zou zeggen: ‘En nou kappen!’

Share This:

JOLIES HEIJ lekker bezig in de Poëziebus: de glutenvrije cracker smaakte naar een overhemdenfabriek…


Vanmiddag tijdens de workshop geschreven.

Bij de luch werd ik getrakteerd op een rijstwafel en een glutenvrije cracker. Het smaakte naar een overhemdenfabriek. Liever had ik in het hoge gras gelegen, vogels gespot of desnoods het zeil van zijn boot gehesen. We hadden bijna, maar op de laatste nipper niet geneukt. Ik moest me niet beklagen, zei hij. We hadden toch elkaars huiswerk gemaakt? De glutenvrije mens komt er nu eenmaal bekaaid vanaf. Wat mij betrof kon hij naar de maan lopen.

Share This:

DITMAR BAKKER: “Een stukje dat staat. Wat is er trouwens met die Yasmina Lemsiah? Ik vermoed dat dit precies iets voor háár is.”

graag enige toelichting ditmar op dit werkje – voor de leek zeg maar ik heb het vermoeden dat weinig lezers het einde halen. op zich niet erg dat voortijdig overlijden van onze lezers – maar ik wil nog niet – liefs ik lees je graag terug. grt.
Pom,


Het werkje is een practicum littéraire methode-of-theorie. Het is het uitpansel van de idee dat een poëtische vertaling te toetsen valt—een idee dat volgens mij nog niet wordt uitgebuit in het academisch of poëtisch veld.

En, God verhoede, er zat zelfs een venijnig grapje in. Ik zal open kaart spelen.

De tekst als geheel is niet méér[1] dan een (wat stroeve) vertaling van een stuk littéraire analyse uit de Triquarterly. Editor dezes is aangehaalde Susan Hahn, houdster van een “Guggenheim Fellowship”, door mij foutief geciteerd. Het stuk analyse is geschreven door Anne Harding Woodworth (www.annehardingwoodwordth). De vertaling uit het vakblad is letterlijk, alleen zijn dáár, waar Snodgrass’ verzen de pagina’s sierden, nu de betreffende vertaalde verzen mijnerhands geplaatst. En zo liggen de kaarten.

De crux zit ‘m erin dat nu, door na te gaan of het mechaniek van de wetenschappelijke analyse nog steeds werkt, ‘houdt snijdt’, toegepast op de vertaalde verzen, dit in zichzelf een instrument kan zijn om de waarde van de vertaling te toetsen.

Nouveau idée, volgens mij. Volg je me?

-x-

D. 

N.B.: Deze link gooit je naar de betreffende Triquarterly. Onderaan pagina 244 begint de pret. 


[1] De eindregel is niet van haar, en er is wat tussen haken toegevoegd in de eerste alinea. Verder is niets aangepast aan het oorspronkelijke werk, na te gaan via


Ditmar B
Verzonden: woensdag 7 augustus 2019 14:45
Aan: pom wolff
Onderwerp: Een stukje dat staat. Wat is er trouwens met die Yasmina Lemsiah? Ik vermoed dat dit precies iets voor háár is. -x-
 
De Wet van Godwin, of: Een Oefening in Plagiaat

“A rondeau suggests a dance in the round, and indeed from the content of this poem there is a sense of dizzying madness,” zo zegt Susan Hahn in de Triquarterly no. 130. Edoch, wat behèlst die versvorm (één van de vele die Snodgrass in The Fuehrer Bunker gebruikt) nu precies?
                Het rondeau redoublé (of: gedoubleerd rondeel) bestaat uit zes stanza’s van vier regels. Elke regel van het eerste wordt de respectievelijk laatste regel van de volgende vier. Het zesde stanza dient tot summeren van het voorgaande en de vijfde regel ervan, het rentrement, is een herhaling van de eerste woorden van het gedicht (de eerste twee voeten, om precies te zijn). Middels deze versvorm gebruikt Snodgrass wederom herhaling om gestoord denken te mimeren.[1]
                De laatste regel van het eerste stanza is “Gezuiverd ben ik door Zijn heerschappij, …” (Magda zal Hitler niet verraden zoals sommige van zijn mankrachten hebben gedaan.) Deze regel wordt de laatste regel van het vijfde stanza, gevolgd door het tweeslachtige begin van het zesde:

                Wijl ik hen óók behoed. ‘k Zie niet voorbij
                     Hun spel, of hoe hun smekend kijken klaagt


Dit denken over jonge soldaten versmelt uiteindelijk met haar kinderen:

                Zodat ik soms zelfs huil. Hoe kan dit zijn
                     De borst die hen ooit voedde? Toch, vandaag—
                               Ik draag Zijn kruis.

                De vierde regel van het zesde stanza neemt de draad van de eerste regel van het hele gedicht over, en zet deze op tot het rentrement van het gedoubleerd rondeel; “Ik draag Zijn kruis.” Deze vier lettergrepen korten de eerste regel van het gedicht af, brengen Magda snel terug naar waar ze vandaan kwam. Met dit rondeel, door herhaling en simpel rijm, is het Snodgrass gelukt om alle moederlijke instincten van een moeder uit te venten en brengt hij haar nu met vlotte tred richting de moord van haar zes kinderen.
                Zodra de lezer bij “Magda Goebbels, 30 april 1945[2]” aangekomen is, wordt duidelijk dat Magda in een staat van kinderlijke trance verkeert. Snodgrass bouwt een kindergedicht in twaalf stanza’s. Alweer wordt een effectief vloeken tussen gedicht en inhoud gebruikt, of nog een voorbeeld van hoe vorm inhoud kan subverteren (overigens zegt Jaap Bakker hetzelfde anders in zijn Rijmwijzer (p.98): “Een van de middelen om afstand te creëren is wisseling van perspectief: […] Afstand van het onderwerp is toenadering tot de lezer,” en de verstandig verstaander kan me volgen). Als eerste legt zij haar kinderen uit: “Dit is de naald” (voor morfine), “In deze lepel” (gaat potassiumcyanide), “Dit is de kamer” (waar de kinderen zullen sterven), et&. Magda begint uit te weiden door aan haar kinderen te denken en hun medicatie, alsof deze hen groot en sterk zou maken. Ze dient het gif toe in het zevende stanza:

                Je eerste hap kreeg j’ ooit van mij,                         a
               nu, tussen tandjes op een rij                                     a
               een lepel—daarmee raak je vrij                               a
               van elke hongersnood.                                                b
                Neemdit op de tong en zie                                        c
                in je memorie moeder die                                          c
                haar Leider liefhad, meer dan wie                          c
                met zoveel and‘ren vlood.                                          b

                Snodgrass heeft Magda omgetoverd tot een priester tijdens de Eucharistie, alsof ze brood op de tong legt en zeide: “doe dit tot mijn gedachtenis.”[3] Dit is een volkomen geflipt Laatste Avondmaal: “haar Leider liefhad” resoneert onmiddellijk met “Zozeer […] de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,” waarmee Magda de Christelijke God en Hitler gelijkstelt.
                Met dit klemtoonrijke syllabische vers, waarin het aantal lettergrepen en klemtoon gelijkelijk belang voeren, heeft Snodgrass een ritme gebouwd dat het geestelijk instorten van Magda benadrukt. Het is een jambische tetrameter, en er zit een starheid in de vorm die in parallel staat met haar obsessie met kracht. De eerste drie regels en regel 5 t/m 7 van elk stanza worden doorgaans door acht lettergrepen per stuk gevormd. Regel 4 en 8 van elk stanza bevatten zes of zeven lettergrepen (afhankelijk van een mannelijk of vrouwelijk rijm), en om de tetrameter te behouden wordt het gehele gedicht doorwasemd door een niet-gerealiseerde dreun met een interessante syncopation. Er ligt beweging in het gedicht, zoals in veel kinderverzen, hoewel sommige lettergrepen meer beklemtoond zijn dan andere. Enjambement en binnenrijm bieden tegenwicht aan het vrij simpele eindrijm:

                Dit is het serum—elk verweesd
                zwak hart geneest hierdoor; je geest
                verstandig dan, conform je leest,
                je houdt je goed en net.

                In het gedicht ‘Magda Goebbels, 1 mei 1945,’ staat Magda op het punt zich te garen bij haar echtgenoot in de tuin waar ze samen zullen sterven. Ze heeft haar kinderen gedood. Ze drinkt champagne en speelt patience.
                Magda: Medea, zij het met iets andere motivatie.[4]





[1] MAGDA GOEBBELS, 27 APRIL 1945

I wear His badge, here, on my breast today;
All those lost years, He must have wanted me.
I’ve borne old sacrifices; I obey.
I stand restored: His heir, His deputy.

In this delirium of treachery
On all sides, when our gods have turned away,
After the times He’s scorned my company,
I wear His badge, here, on my breast today.

Other have had His time, His gifts—but they,
When He called on them, failed Him wretchedly.
No Knights’ Cross shines like this pin I display.
All those lost years, He must have wanted me.

He made Paulus Field Marshal, yet still he
Surrendered Stalingrad–we thought they’d stay
Till each last man died for Him gloriously.
I’ve borne old sacrifices; I obey.

Paulus! We should have known that he’d betray
And give his men up to captivity.
No false pity will make me flinch that way.
I stand restored: His heir, His deputy,

Though I’m their keeper, too. I can’t help see
Their eyes wavering toward me while they play;.
I break down sometimes, still. How can this be
The breast that fed them once? And yet today
                I wear His badge.
[W.D.S.]


[2] MAGDA GOEBBELS (30 APRIL 1945)
(After Dr. Haase gave them shots of morphine, Magda gave each child an ampule of potassium cyanide from a spoon.)


This is the needle that we give
Soldiers and children when they live  
Near the front in primitive
    Conditions or real dangers;
This is the spoon we use to feed  
Men trapped in trouble or in need,  
When weakness or bad luck might lead
    Them to the hands of strangers.



This is the room where you can sleep  
Your sleep out, curled up under deep  
Layers of covering that will keep
    You safe till all harm’s past.
This is the bed where you can rest  
In perfect silence, undistressed
By noise or nightmares, as my breast  
    Once held you soft but fast.



This is the Doctor who has brought  
Your needle with your special shot  
To quiet you; you won’t get caught
    Off guard or unprepared.
I am your nurse who’ll comfort you;  
I nursed you, fed you till you grew  
Too big to feed; now you’re all through
    Fretting or feeling scared.



This is the glass tube that contains
Calm that will spread down through your veins  
To free you finally from all pains
    Of going on in error.
This tiny pinprick sets the germ
Inside you that fills out its term
Till you can feel yourself grow firm
    Against all doubt, all terror.



Into this spoon I break the pill  
That stiffens the unsteady will  
And hardens you against the chill
    Voice of a world of lies.
This amber medicine implants  
Steadfastness in your blood; this grants  
Immunity from greed and chance,
    And from all compromise.



This is the serum that can cure
Weak hearts; these pure, clear drops insure  
You’ll face what comes and can endure  
    The test; you’ll never falter.
This is the potion that preserves
You in a faith that never swerves;
This sets the pattern of your nerves
    Too firm for you to alter.



I set this spoon between your tight  
Teeth, as I gave you your first bite;  
This satisfies your appetite
    For other nourishment.
Take this on your tongue; this do  
Remembering your mother who
So loved her Leader she stayed true
    When all the others went,



When every friend proved false, in the  
Delirium of treachery
On every hand, when even He
    Had turned His face aside.
He shut himself in with His whore;
Then, though I screamed outside His door,  
Said He’d not see me anymore.
    They both took cyanide.



Open wide, now, little bird;
I who sang you your first word
Soothe away every sound you’ve heard  
    Except your Leader’s voice.
Close your eyes, now; take your death.  
Once we slapped you to take breath.  
Vengeance is mine, the Lord God saith
    And cancels each last choice.



Once, my first words marked out your mind;  
Just as our Leader’s phrases bind
All hearts to Him, building a blind
    Loyalty through the nation,
We shape you into a pure form.
Trapped, our best soldiers tricked the storm,  
The Reds: those last hours, they felt warm  
    Who stood fast to their station.



You needn’t fear what your life meant;
You won’t curse how your hours were spent;  
You’ll grow like your own monument
    To all things sure and good,
Fixed like a frieze in high relief
Of granite figures that our Chief
Accepts into His true belief,
    His true blood-brotherhood.



You’ll never bite the hand that fed you,  
Won’t turn away from those that bred you,  
Comforted your nights and led you
    Into the thought of virtue;
You won’t be turned from your own bed;  
Won’t turn into that thing you dread;  
No new betrayal lies ahead;
    Now no one else can hurt you.
[W.D.S.]



[3] Gezien de katholieke natuur van de Eucharistie heb ik voor deze en volgende bijbelverzen de online Willibrordvertaling uit 1975 gebruikt, die immers gangbaar is binnen de Nederlandse katholieke kerk. U kunt één en ander herlezen in 1 Korinthiërs 11:24 en het Evangelie van Johannes 3:16.


[4] MAGDA GOEBBELS, 27 APRIL 1945

Ik draag zijn kruis, hier, op mijn borst, vandaag;
Verloren jaren wilde Hij vast—mij.
Elk jeugdig offer deed ik desgevraagd.
Gezuiverd ben ik door Zijn heerschappij.

Delier van valsheid binnen de partij
Van elke kant; de goden werden vaag,
Al vroeg Hij mij er somtijds niet meer bij—
Ik draag zijn kruis, hier, op mijn borst, vandaag.

Hij schonk Zijn tijd en méér aan wie, gestaag
Geroepen dan, verlieten rap Zijn zij.
Geen Zilverkruis schijnt als dat op mijn kraag.
Verloren jaren wilde hij vast—mij.

Hij wees Paul aan als veldmaarschalk, maar hij
Vermaakte Stalingrad tot nederlaag;
Ze zouden voor Hem sterven, dachten wij.
Elk jeugdig offer deed ik desgevraagd.

We hadden moeten weten dat Paul graag
Verraden zou; zijn mannen niet meer vrij.
Geen huiver of vals meelij in míjn maag:
Gezuiverd ben ik door Zijn heerschappij,

Wijl ik hen óók behoed. ‘k Zie niet voorbij
Hun spel, of hoe hun smekend kijken klaagt
Zodat ik soms zelfs huil. Hoe kan dit zijn
De borst die hen ooit voedde? Toch, vandaag—
                Ik draag Zijn kruis.

[D.B.]

***

MAGDA GOEBBELS, 30 APRIL 1945)

(Na de morfine-injectie die Dr. Haase hen gaf, gaf Magda elk kind de inhoud van een ampul potassiumcyanide in een lepel.)

Dit is de naald, gegeven aan
soldaten, kind’ren, als voortaan
het front hun verder voortbestaan
gevaarlijk maakt, acuut.
Dit lepeltje gaat in de mond
van hen gevangen of gewond;
dat geen, in onwil, ongegrond,
zich vindt in servituut.

Dit is de kamer waar je sliep
en slapen zult, beschermd en diep
door dikke lagen die men schiep
voor dreiging, haast voorbij.
Het bed is waar je slapen dorst
in alle stilte, niet geschorst
door narigheid—’t ligt als mijn borst,
heel zacht en dicht bij mij.

Dit is de Arts—die ken je toch?
Hij bracht speciaal die prikjes nog,
dan blijf je lekker rustig, och
het is geen eng ontvangst.
Ik blijf als je verzorgster aan,
verzorgen deed ik, tot je staan
en lopen kon, te groot voortaan
te kriebelen van angst.

En wat dit flesje hier omhult
is rust die straks je ad’ren vult;
voor pijn je ook bewaart, en schuld
door verder fout bestaan.
Die prik, zo’n minuscule plek!
Verspreidt zich als een olievlek,
doet vaster voelen tot ’t vertrek
van twijfel, angst, of waan.

In deze lepel gaat de pil
die zeker maakt van sterker wil;
dit sterkt je tegen ’n wereld kil
van liegen, vol van list.
Dit bruine tonicum verdrukt
onzekerheid in ’t bloed; de drug
maakt snel immuun voor ongeluk
en compromis, beslist.

Dit is het serum—elk verweesd
zwak hart geneest hierdoor; je geest
verstandig dan, conform je leest,
je houdt je goed en net.
Dit is het eerbaar medicijn,
waardoor je immer trouw zult zijn,
geen zenuw in je koortsig brein
verward, want vastgezet.

Je eerste hap kreeg j’ ooit van mij,
nu tussen tandjes op een rij
een lepel—daarmee raak je vrij
van elke hongersnood.
Neem dit op de tong en zie
in je memorie moeder die
haar Leider liefhad, meer dan wie
met zoveel and’ren vlood.

Toen elk vriend vals bleek, en daarbij
koortsachtig trekkend als partij
ophanden was, totdat zelfs Hij
Zijn hoofd had afgewend,
sloot Hij zich met Zijn hoertje op,
Zei—ondanks mijn geschreeuw, geklop
elk poging tot bezoeken stop:
Ze namen gif tot end.

Mondje open, vogelijn,
ik zong je toe en maak je rein
van elk geluid dat er mocht zijn
behalve dat van Hem.
Oogjes dicht nu: neem je dood.
Eén slag verhielp ooit ademnood.
De wraak aan mij, zei Gode Groot—
een kruis door keus en stem.

Ooit dacht je enkel in mijn spraak,
Als ’n frase van ons Leider vaak
elk hart met hem verbindt—de maak
van staatstrouw die men zweert.
We zuiv’ren je van ieder spoor,
bestormd, vielen ons besten door
De Roden: warm, terwijl het vroor
want steeds gestationeerd.

Geen angsten voor je levenslot;
je gang vraagt geen gevloek om god;
je groeit als lichtend baken tot
het antoniem van slecht.
Alsof gegrift in hoogreliëf
van grijs graniet waarin de Chef
fixeerde -wat geloof betreft-:
Zijn broederschap, rasecht.

Jij bijt de hand niet die je voedt,
onthecht niet van je eigen bloed—
dat gaf je troost, gedachtegoed
en denken in sinds klein.
Niemand die jou je bed ontzegt,
nooit word je zelf wat je bevecht,
Geen nieuw bedrog: dit was het echt.
Geen mens doet je meer pijn.
[D.B.]

Share This:

MIRJAM AL bij de dood van SARA: “je bent er nog helemaal, alleen, Sara, onze armen zijn leeg vandaag…”



Voor Saartje
 
Merik zegt dat je er niet meer bent,
maar dat is toch niet waar, lieveling;
dametje met zwarte kousjes en hoge hondenhakjes
leeft voort in de herinnering, de beelden,
haar schattige verschijning, haar
dankbaarheid en stille geintjes,
haar lachend bekje en heimelijke likjes,
je bent er nog helemaal, alleen, Sara,
onze armen zijn leeg vandaag,
schieten tekort om je nog te bereiken,
en Merik, houdt het maar vol;
mijn kleine lieve vriendinnetje,
ze is wegger dan weg

Mirjam Al
 


Voor jou


Een zomerochtend met heldere dauw,
de geur van rozen, een steek van de berenklauw, auw,
en ieder heeft zijn eigen tijd
of je nou in een vette auto of op een gammel fietsie rijdt,
allemaal op weg naar het eindeloze blauw
en zo iemand die zegt : ik hou van jou.

Mirjam Al
 

Share This:

JOLIES HEIJ deze week in de bus – vreest de dagen met een overdaad aan gebakken lucht


alle begin is moeilijk. de poëziebus deed gisteren 010 aan – vandaag 020 – in die bus jolies heij. op reis met woorden – aan het het begin van de reis een beetje bedremmeld nog. vrezend. zoals het een goed dichter betaamt.


Poeziebus Perron 0 (beginhalte)

Of ik alles heb. Op reis met woorden, wat heb je anders
nodig dan een mond en een open gezicht, vergezichten
op papier. De rode bus als drinkend dier bij de waterplaats
waar wij afstappen om op kakofonie”en te zuigen.

Daar in de stiltes tussen de regels kan iedereen
ons vinden, als je maar hard genoeg de trom roert
loopt iedereen vanzelf in de maat, mijmert geen gekkenpraat
maar zegt het luid en duidelijk. We lijken kalm

maar schijn bedriegt, het zwerk galmt ervan
niemand die de stortvloed niet omarmt, in het diepe
springt om schuimend en kolkend boven te komen.

Maar nu lig ik nog hier op mijn vlot in de nacht
vrees het geblaf van honden, de onderstroom
de onvermijdelijke dag met een overdaad aan gebakken lucht.

Share This:

Karin Beumkes in haar serie Mens&Melodie op de Maandag: … Ik beloofde je een beetje maan warme lieveheersbeestjes, ….

Horatius schreef het al: […] wees wijs, klaar de wijn en zet je toekomstdroom af tegen
de korte tijd die je gegeven is. Terwijl wij praten is de jaloerse
tijd al gevlogen: pluk de dag en reken zo min mogelijk op morgen. De werken beumkes worden met de week voller, poëtischer, wellustiger. een heerlijk begin van de loodzware week die we allemaal weer zullen moeten bestaan. maar met de beum kunnen we in ieder geval de maandag aan. we lezen een mix van natuurlijke elementen en dagelijkse dingen waarbij zij algemeen menselijke zaken altijd weer liefdevol opvoert. zelf ziet dichter graag het youtube filmpje liever prominent getoond – wij van hier kiezen voor een meer prominente plaats voor haar poëzie.


Carpe Diem


Ik beloofde je een beetje maan
warme lieveheersbeestjes,
eekhoorntjes met warme wantjes,
een hut van wilgentenen en oude kranten
en ’s winters wonen in een oude blokkendoos.

Ik zag je lach en beloofde meer
een keulse pot, kabouters en elfen
met lange puntoren en altijd blij.

Ik vouwde fragiele bootjes
verzon een zee waarop het
dragelijk varen was,

Nu heb ik een tas vol fotòs
en een roze maillot

jij hoeft jezelf niet meer te bewijzen
lief, dit woord moet open blijven.


Muziek: Nina and Frederick – Listen to the Ocean  https://youtu.be/HXeGhIJWG5I


Liefs en groetjes
Karin

Share This:

in de serie grootheidswaanzin majesteit – deel 2

ik kondigde het al aan lieve lezer – de zo open minded dichter willem adelaar is snel op zijn gevoelige teentjes getrapt. hij heeft hulptroepen ingeroepen en heeft uitgehuild bij de hier zeer wel bekende dichter gérard vromen. alles mag op pomgedichten – uithuilen en opnieuw beginnen. kleinzielig doen mag ook – zelfs eenvoudig fröbelwerk mag aangeleverd worden – al hebben we er wel wat commentaar op natuurlijk. ik schreef gérard na zijn lelijke scheldpartij het volgende:


Beste Gérard, hierbij een vriendelijke groet uit uw hoofdstad. laten we het bij het onderwerp houden: dichters die aan grootheidswaanzin lijden/leiden – zal het in het brabantse zijn – en elk eigen frutsel als hoogwaardige kunst beschouwen mogen best een keertje lezen dat de fröbelfase voorbij is. daar gaat het om bij die Willem Adelaar
en trouwens ook bij Jaap Montagne
: ‘dichter is nu aan het plakken en knippen geslagen
een kartonnetje hier en een papiertje daar
én ja hoor de onnavolgbare kunstwerkjes
zijn al weer klaar…’

deel 1 geniet u hieronder:



de dichter adelaar sprak mij enige tijd geleden aan – hij wilde niets meer tegen mij zeggen. dat is een goed recht van elke dichter – komt bij daar in eindhoven – je verstaat ze toch al niet – dus dat schiet lekker op. ik was nieuwsgierig naar de reden van de boosheid van deze dichter. ik had een opmerking gemaakt begreep ik bij een enkel gedicht en die opmerkingen waren in willems verkeerde keelgat geschoten. zoiets. waar je ook komt in brabant willem is aanwezig. voor die 10 mensen die het werk van willem niet kennen en zijn optreden hierbij een korte karakteristiek. willem doet naar goed brabants gebruik in het openbaar wat taalgrapjes en kijkt dan naar de hemel met lichtblauwe ogen – dat houdt ie 2 minuten vol om vervolgens met een lichte glimlach op de lippen – halfschuchter en licht schuddend het publiek aan te kijken met een blik van – dat heb ik toch maar weer weer mooi voor jullie bij elkaar gedacht. vervolgens doet ie nog 10 keer hetzelfde en loopt verguld van zichzelf het geboden podium af. was het daar maar bij gebleven lieve lezer. megalomaan heeft de dichter zich geworpen op de beeldende kunst. als een ware jaap montagne in de serie adelaar knipt en plakt ie dat het aan het plafond kleeft. en de toeschouwers moeten van de dichter vooral aai en ooi – ja en mooi roepen. maar zeg je – nou nee voor mij hoeft dat geknutsel niet – dan heb je het gedaan. een en ander leidde tot het volgende gedicht:

in de serie grootheidswaanzin majesteit (oftewel eindhoven boven!)
 
de vaak zo eigenzinnige dichter willem adelaar (W.A.)
uit het altijd weer zo mooie eindhoven
is  – dat moet gezegd – nogal snel op zijn o zo gevoelige teentjes getrapt
 
majesteit
deze willem is geen gewone willem – zoals u zelf wel altijd tracht te wezen
gelijk uw moeders diepste wens in uwes eigen diepste eigenheid

neen majesteit
deze willem  is een wonderkind
wel is waar naar eigen zeggen
 
en ziet ze vliegen
de hoge kunsten  tegemoet  wederom naar eigen zeggen
hoger dan uw koninkrijk
 
dichter is nu aan het plakken en knippen geslagen
een kartonnetje hier en een papiertje daar
én ja hoor de onnavolgbare  kunstwerkjes
zijn weer klaar
 
pw

Share This:

in de serie grootheidswaanzin majesteit

foto: kunstwerkje w. adelaar


de dichter adelaar sprak mij enige tijd geleden aan – hij wilde niets meer tegen mij zeggen. dat is een goed recht van elke dichter – komt bij daar in eindhoven – je verstaat ze toch al niet – dus dat schiet lekker op. ik was nieuwsgierig naar de reden van de boosheid van deze dichter. ik had een opmerking gemaakt begreep ik bij een enkel gedicht en die opmerkingen waren in willems verkeerde keelgat geschoten. zoiets. waar je ook komt in brabant willem is aanwezig. voor die 10 mensen die het werk van willem niet kennen en zijn optreden hierbij een korte karakteristiek. willem doet naar goed brabants gebruik in het openbaar wat taalgrapjes en kijkt dan naar de hemel met lichtblauwe ogen – dat houdt ie 2 minuten vol om vervolgens met een lichte glimlach op de lippen – halfschuchter en licht schuddend het publiek aan te kijken met een blik van – dat heb ik toch maar weer weer mooi voor jullie bij elkaar gedacht. vervolgens doet ie nog 10 keer hetzelfde en loopt verguld van zichzelf het geboden podium af. was het daar maar bij gebleven lieve lezer. megalomaan heeft de dichter zich geworpen op de beeldende kunst. als een ware jaap montagne in de serie adelaar knipt en plakt ie dat het aan het plafond kleeft. en de toeschouwers moeten van de dichter vooral aai en ooi – ja en mooi roepen. maar zeg je – nou nee voor mij hoeft dat geknutsel niet – dan heb je het gedaan. een en ander leidde tot het volgende gedicht:

in de serie grootheidswaanzin majesteit (oftewel eindhoven boven!)
 
de vaak zo eigenzinnige dichter willem adelaar (W.A.)
uit het altijd weer zo mooie eindhoven
is  – dat moet gezegd – nogal snel op zijn o zo gevoelige teentjes getrapt
 
majesteit
deze willem is geen gewone willem – zoals u zelf wel altijd tracht te wezen
gelijk uw moeders diepste wens in uwes eigen diepste eigenheid

neen majesteit
deze willem  is een wonderkind
wel is waar naar eigen zeggen
 
en ziet ze vliegen
de hoge kunsten  tegemoet  wederom naar eigen zeggen
hoger dan uw koninkrijk
 
dichter is nu aan het plakken en knippen geslagen
een kartonnetje hier en een papiertje daar
én ja hoor de onnavolgbare  kunstwerkjes
zijn weer klaar
 
pw

Share This: